|
Vanuit Medan gaan we naar Samosir. Dat is ongeveer 186 km rijden.
We stoppen onderweg bij wat fruittentjes.
We rijden via het Karo-plateau naar Parapat en bezoeken de waterval van Sipiso-Piso.
Hier hebben we ook een schitterend uitzicht over het Tobameer.
Onderweg stoppen we nog bij een school, een trouwerij, een bedrijfje waar manden worden
gevlochten en bezoeken in een klein dorpje een vervallen batakhuis waar 5 gezinnen wonen
zonder enige bron van inkomsten en brengen tot slot een bezoek aan Pematang Purba, het
batakhuis van de koning.
Vanuit Parapat nemen we de boot naar Samosir dat in het Tobameer ligt.
We meren aan bij hotel Silintong en eten 's avonds heerlijk bij restaurant Elios waar
Elisabeth Sirait de kokkin en tevens zangeres is. Naast het feit dat Elisabeth in haar
eentje perfect kookt kan zij uitstekend zingen. Ze wordt begeleid op de gitaar door haar
man.
We eten de volgende dag weer bij haar en kopen en CD van haar zanggroep. Ik kan
sindsdien het liedje "Manise" in mijn auto beluisteren.
Algemeen:
De Batak
Noord Sumatra is het thuisland van de Bataks.
De Bataks worden onderverdeeld in 6 stammen. Dit zijn de zijn de Karo-, Toba-,
Simalungung-, Pakpak-, Angkola-, en de Mandailing Batak. De stammen hebben elk hun eigen
dialekt en gebruiken. Elke Batakstam (marga) bestaat uit meerdere hechte clans (huta) die
afstammen van een enkele mannelijke voorouder. Zorgvuldig is men in het bijhouden van de
genealogieën die moeten bepalen welke status iemand heeft. Van welke clan men lid is
hangt af van de vader.
De Batak gelden als een van de meest trotse bevolkingsgroepen van de republiek. Tegelijk
hebben ze minder moeite met het zich aanpassen aan de moderne tijd dan de meeste andere
volkeren van Indonesië. De Batak zijn een van de meest ondernemende bevolkingsgroepen van
de archipel. Vooral in het transport, het toerisme en het leger bekleden ze hoge posities.
Nasution en Mochtar Lubis zijn bijvoorbeeld Batak.
Geschiedenis
Oorspronkelijk woonden de Batak in het laagland van de Himalaya en boven-Birma. Ongeveer
1500 jaar geleden werden ze daar verdreven en vestigden ze zich in Sumatra. De Batak
trokken vrijwel direkt door naar de hogergelegen delen van het eiland, daar dit landschap
het meest weg had van het land van hun voorouders. Toch hadden ze contact met de bewoners
van de lagergelegen kustgebieden, waarvan ze onder andere de natte rijstcultuur overnamen.
Gevangen tussen twee Islamitische volkeren, de Acheërs en de Minangkabau, leidden de
Batak tot de komst van de Nederlanderseen geïsoleerd bestaan. Het waren de tochten die de
befaamde natuurvorser F.W. Junghuhn in 1840-1841 in dit gebied ondernam waardoor de Batak
voor het eerst enige bekendheid kregen. Omstreeks het midden van de 19de eeuw kwamen de
Batak onder de invloed van de islam en het christendom. Het waren Nederlandse en Duitse
missionarissen van de Rheinische Mission die de Batak tot het christendom bekeerden,
waarmee een einde kwam aan hun eeuwenoude animisme en kannibalisme. Het kannibalisme heeft
bij de Batak zeer lang stand gehouden. Toch was het nog rond de eeuwwisseling rumoerig in
de Bataklanden en waren de hier wonende stammen nog allerminst aan het Nederlands gezag
onderworpen. Het geluk was aan de kant van de Batak toen overste van Daalen die tijdens
zijn campagne van 1904 in de Gayo en Alas landen geen tijd bleek te hebben ook de
Bataklanden op zijn hardhandige manier te pacificeren. Doordat de overste in Alasland
vernam dat van Heutz naar 's Gravenhage was ontboden, en begreep dat dit betekende dat
zijn baas Gouverneur-Generaal zou worden en hijzelf zijn opvolger, haastte hij zich terug
naar Kota Radja om zijn mededingers voor te zijn.
Religie
Voor de Batak is de ziel, die ze tondi noemen, het wezenlijkste deel van mens, dier en
plant. Wanneer de tondi het lichaam verlaat zal ziekte en rampspoed volgen. Tussen de
scheppingsverhalen van de verschillende volken bestaan duidelijke overeenkomsten. Zo
kennen de Dajak en de Batak een boven-, midden- en onderwereld. De Batak hangen
tegenwoordig voor het merendeel het christendom aan en zijn overwegend protestant. Veel
Noordelijke Batak zijn echter animisten gebleven, en de Mandailing hangen tegenwoordig het
Islamitische geloof aan.
Architectuur
De hutas (dorpen waarin een clan woont) bestaan uit een lange straat waarlangs
verschillende grote rumah adats, rijstschuren en gebouwen als gemeenschapshuizen staan.
Vanwege de constante staat van oorlog waarin de dorpen zich vroeger bevonden, worden ze
omgeven door een aarden wal, pallisades en een ondoordringbare bamboehaag. Bij de entree
van een Batakdorp vindt je meestal de partukhoan, een openlucht vergaderruimte, waarin
stenen tafels en stoelen staan. Hier werd vergadert en recht gesproken. De huizen van de
Batak, die jabu worden genoemd, zijn gebouwd van pekkihout, een soort dennehout. De lengte
van de huizen is ongeveer 18 meter. Voor de bouw van de huizen gebruikt men geen spijkers,
maar touw en houten pennen. Ze staan op palen en worden bekroond door een aan beide
uiteinden steil oprijzend dak. Matten en gordijnen delen de ruimte in het huis op in
afzonderlijke ruimtes voor de families die het huis bewonen. In de dorpen staat vrijwel
altijd een reusachtige waringin, die door de Batak als de levensboom wordt gezien. Deze
bomen werden op belangrijke gebeurtenissen geplant, zoals de stichting van het dorp of het
overlijden van het clan-hoofd.
De Toba Batak
Het Tobameer, de meest populaire vakantiebestemming op Sumatra, ligt in het centrum van de
Bataklanden. Het midden in het meer gelegen Samosireiland is waarschijnlijk de plek waar
de eerste Batak zich vestigden na hun komst in Sumatra. Het wordt in elk geval door alle
stammen gezien als de plek waar de voorouders vandaan gekomen zijn. Ze beschouwen Si Raja
Batak als de gemeenschappelijke voorvader. De rond het tobameer wonende Toba-Batakstam is
de grootste van de 6 verschillende Batakstammen en wordt beschouwd als de meest pure
Batakstam.
|